trainen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trainen

The word "trainen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trainen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trainend
Past participle - Verleden deelwoord: getraind

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrain
jijtraint
hijtraint
wijtrainen
jullietrainen
zijtrainen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getraind
jijhebt getraind
hijheeft getraind
wijhebben getraind
julliehebben getraind
zijhebben getraind

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrainde
jijtrainde
hijtrainde
wijtrainden
jullietrainden
zijtrainden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getraind
jijhad getraind
hijhad getraind
wijhadden getraind
julliehadden getraind
zijhadden getraind

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trainen
jijzult trainen
hijzal trainen
wijzullen trainen
julliezullen trainen
zijzullen trainen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getraind hebben
jijzult getraind hebben
hijzal getraind hebben
wijzullen getraind hebben
julliezullen getraind hebben
zijzullen getraind hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trainen
jijzou trainen
hijzou trainen
wijzouden trainen
julliezouden trainen
zijzouden trainen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getraind hebben
jijzou getraind hebben
hijzou getraind hebben
wijzouden getraind hebben
julliezouden getraind hebben
zijzouden getraind hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrain

Translations

  • train, to practice an ability
  • train, to teach a task
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    1. Borrowed from English train.
    2. Attested since 1573. See: English 'train'.

    Additional Information