Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bijwonen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijwonend
Past participle - Verleden deelwoord: bijgewoond
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | woon bij |
| jij | woont bij |
| hij | woont bij |
| wij | wonen bij |
| jullie | wonen bij |
| zij | wonen bij |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bijgewoond |
| jij | hebt bijgewoond |
| hij | heeft bijgewoond |
| wij | hebben bijgewoond |
| jullie | hebben bijgewoond |
| zij | hebben bijgewoond |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | woonde bij |
| jij | woonde bij |
| hij | woonde bij |
| wij | woonden bij |
| jullie | woonden bij |
| zij | woonden bij |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bijgewoond |
| jij | had bijgewoond |
| hij | had bijgewoond |
| wij | hadden bijgewoond |
| jullie | hadden bijgewoond |
| zij | hadden bijgewoond |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bijwonen |
| jij | zult bijwonen |
| hij | zal bijwonen |
| wij | zullen bijwonen |
| jullie | zullen bijwonen |
| zij | zullen bijwonen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bijgewoond hebben |
| jij | zult bijgewoond hebben |
| hij | zal bijgewoond hebben |
| wij | zullen bijgewoond hebben |
| jullie | zullen bijgewoond hebben |
| zij | zullen bijgewoond hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bijwonen |
| jij | zou bijwonen |
| hij | zou bijwonen |
| wij | zouden bijwonen |
| jullie | zouden bijwonen |
| zij | zouden bijwonen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bijgewoond hebben |
| jij | zou bijgewoond hebben |
| hij | zou bijgewoond hebben |
| wij | zouden bijgewoond hebben |
| jullie | zouden bijgewoond hebben |
| zij | zouden bijgewoond hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bijwonen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bijwonen'
bewonen,
belonen,
bijleren,
bijten,
bijvoegen,
wonen,
banen,
bedienen,
bedwingen,
beginnen,
Translations
attend, to be present at
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van voren tot op den bodem der zee [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] toestand, die niet door woorden kan beschreven worden. Doch het ergste was nog niet gekomen. De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed, maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] een oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons voor de golven te beschutten. Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de heerschende ontsteltenis begrijpen.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From bij + wonen.
Additional Information