benoemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of benoemen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: benoemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: benoemend
Past participle - Verleden deelwoord: benoemd

Cognates

See the 4 cognates of benoemen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbenoem
jijbenoemt
hijbenoemt
wijbenoemen
julliebenoemen
zijbenoemen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb benoemd
jijhebt benoemd
hijheeft benoemd
wijhebben benoemd
julliehebben benoemd
zijhebben benoemd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbenoemde
jijbenoemde
hijbenoemde
wijbenoemden
julliebenoemden
zijbenoemden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad benoemd
jijhad benoemd
hijhad benoemd
wijhadden benoemd
julliehadden benoemd
zijhadden benoemd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal benoemen
jijzult benoemen
hijzal benoemen
wijzullen benoemen
julliezullen benoemen
zijzullen benoemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal benoemd hebben
jijzult benoemd hebben
hijzal benoemd hebben
wijzullen benoemd hebben
julliezullen benoemd hebben
zijzullen benoemd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou benoemen
jijzou benoemen
hijzou benoemen
wijzouden benoemen
julliezouden benoemen
zijzouden benoemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou benoemd hebben
jijzou benoemd hebben
hijzou benoemd hebben
wijzouden benoemd hebben
julliezouden benoemd hebben
zijzouden benoemd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbenoem

Translations

  • appoint, to fix with power or firmness
  • entitle, to give a title to a book etc.
  • designate, to call by a distinctive title; to name
  • bename, to give a name, call
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanstellen
    aanwijzen, beroepen
    bevorderen
    promoveren
    bombarderen
    promoveren
    noemen
    aanspreken, bestempelen, opsommen, vernoemen, zeggen

    Antonyms

    bevorderen
    tegenwerken, belemmeren, dwarsbomen, dwarszitten, tegenstreven

    Sample Sentences

    • [...] den kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch benoemen. Equivalent to be- + noemen.

    Verbs referencing "benoemen"

    German, old spelling benennen, English bename.

    Additional Information