aanzwellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanzwellen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzwellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanzwellend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezwollen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwel aan
jijzwelt aan
hijzwelt aan
wijzwellen aan
julliezwellen aan
zijzwellen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangezwollen
jijhebt aangezwollen
hijheeft aangezwollen
wijhebben aangezwollen
julliehebben aangezwollen
zijhebben aangezwollen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwol aan
jijzwol aan
hijzwol aan
wijzwollen aan
julliezwollen aan
zijzwollen aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangezwollen
jijhad aangezwollen
hijhad aangezwollen
wijhadden aangezwollen
julliehadden aangezwollen
zijhadden aangezwollen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanzwellen
jijzult aanzwellen
hijzal aanzwellen
wijzullen aanzwellen
julliezullen aanzwellen
zijzullen aanzwellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangezwollen hebben
jijzult aangezwollen hebben
hijzal aangezwollen hebben
wijzullen aangezwollen hebben
julliezullen aangezwollen hebben
zijzullen aangezwollen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanzwellen
jijzou aanzwellen
hijzou aanzwellen
wijzouden aanzwellen
julliezouden aanzwellen
zijzouden aanzwellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangezwollen hebben
jijzou aangezwollen hebben
hijzou aangezwollen hebben
wijzouden aangezwollen hebben
julliezouden aangezwollen hebben
zijzouden aangezwollen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwel aan

Translations

  • swell, intransitive: to become bigger, especially due to being engorged
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aangroeien
    toenemen, uitgroeien

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + zwellen.

    Additional Information