zinspelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zinspelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zinspelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zinspelend
Past participle - Verleden deelwoord: gezinspeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzinspeel
jijzinspeelt
hijzinspeelt
wijzinspelen
julliezinspelen
zijzinspelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezinspeeld
jijhebt gezinspeeld
hijheeft gezinspeeld
wijhebben gezinspeeld
julliehebben gezinspeeld
zijhebben gezinspeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzinspeelde
jijzinspeelde
hijzinspeelde
wijzinspeelden
julliezinspeelden
zijzinspeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezinspeeld
jijhad gezinspeeld
hijhad gezinspeeld
wijhadden gezinspeeld
julliehadden gezinspeeld
zijhadden gezinspeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zinspelen
jijzult zinspelen
hijzal zinspelen
wijzullen zinspelen
julliezullen zinspelen
zijzullen zinspelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezinspeeld hebben
jijzult gezinspeeld hebben
hijzal gezinspeeld hebben
wijzullen gezinspeeld hebben
julliezullen gezinspeeld hebben
zijzullen gezinspeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zinspelen
jijzou zinspelen
hijzou zinspelen
wijzouden zinspelen
julliezouden zinspelen
zijzouden zinspelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezinspeeld hebben
jijzou gezinspeeld hebben
hijzou gezinspeeld hebben
wijzouden gezinspeeld hebben
julliezouden gezinspeeld hebben
zijzouden gezinspeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzinspeel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De politicus zinspeelde op mogelijk verdergaande maatregelen. (The politician alluded to possibly further-reaching measures.)

Etymology

From zin + spelen.

Additional Information