vlekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vlekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vlekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vlekkend
Past participle - Verleden deelwoord: gevlekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvlek
jijvlekt
hijvlekt
wijvlekken
jullievlekken
zijvlekken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevlekt
jijhebt gevlekt
hijheeft gevlekt
wijhebben gevlekt
julliehebben gevlekt
zijhebben gevlekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvlekte
jijvlekte
hijvlekte
wijvlekten
jullievlekten
zijvlekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevlekt
jijhad gevlekt
hijhad gevlekt
wijhadden gevlekt
julliehadden gevlekt
zijhadden gevlekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vlekken
jijzult vlekken
hijzal vlekken
wijzullen vlekken
julliezullen vlekken
zijzullen vlekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevlekt hebben
jijzult gevlekt hebben
hijzal gevlekt hebben
wijzullen gevlekt hebben
julliezullen gevlekt hebben
zijzullen gevlekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vlekken
jijzou vlekken
hijzou vlekken
wijzouden vlekken
julliezouden vlekken
zijzouden vlekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevlekt hebben
jijzou gevlekt hebben
hijzou gevlekt hebben
wijzouden gevlekt hebben
julliezouden gevlekt hebben
zijzouden gevlekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvlek

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch vlecken. Equivalent to vlek + -en.

Additional Information