lakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lakkend
Past participle - Verleden deelwoord: gelakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklak
jijlakt
hijlakt
wijlakken
jullielakken
zijlakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelakt
jijhebt gelakt
hijheeft gelakt
wijhebben gelakt
julliehebben gelakt
zijhebben gelakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklakte
jijlakte
hijlakte
wijlakten
jullielakten
zijlakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelakt
jijhad gelakt
hijhad gelakt
wijhadden gelakt
julliehadden gelakt
zijhadden gelakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lakken
jijzult lakken
hijzal lakken
wijzullen lakken
julliezullen lakken
zijzullen lakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelakt hebben
jijzult gelakt hebben
hijzal gelakt hebben
wijzullen gelakt hebben
julliezullen gelakt hebben
zijzullen gelakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lakken
jijzou lakken
hijzou lakken
wijzouden lakken
julliezouden lakken
zijzouden lakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelakt hebben
jijzou gelakt hebben
hijzou gelakt hebben
wijzouden gelakt hebben
julliezouden gelakt hebben
zijzouden gelakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlak

Translations

  • lacquer, to apply a lacquer to something
  • shellac, to coat with shellac
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    schilderen
    verven

    Sample Sentences

    Etymology

    From lak (“varnish, lacquer”).

    Additional Information