verspreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verspreken

The word "verspreken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: versprekend
Past participle - Verleden deelwoord: verspreekt

Cognates

See the 2 cognates of verspreken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverspreek
jijverspreekt
hijverspreekt
wijverspreken
jullieverspreken
zijverspreken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verspreekt
jijhebt verspreekt
hijheeft verspreekt
wijhebben verspreekt
julliehebben verspreekt
zijhebben verspreekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverspreekte
jijverspreekte
hijverspreekte
wijverspreekten
jullieverspreekten
zijverspreekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verspreekt
jijhad verspreekt
hijhad verspreekt
wijhadden verspreekt
julliehadden verspreekt
zijhadden verspreekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verspreken
jijzult verspreken
hijzal verspreken
wijzullen verspreken
julliezullen verspreken
zijzullen verspreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verspreekt hebben
jijzult verspreekt hebben
hijzal verspreekt hebben
wijzullen verspreekt hebben
julliezullen verspreekt hebben
zijzullen verspreekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verspreken
jijzou verspreken
hijzou verspreken
wijzouden verspreken
julliezouden verspreken
zijzouden verspreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verspreekt hebben
jijzou verspreekt hebben
hijzou verspreekt hebben
wijzouden verspreekt hebben
julliezouden verspreekt hebben
zijzouden verspreekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverspreek

Verbs conjugated like 'verspreken'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'verspreken'

Translations

  • betray, to disclose or discover
  • misspeak, to fail to pronounce, utter, or speak correctly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Hij heeft zich versproken tijdens het interview en moest zijn woorden corrigeren. (He misspoke during the interview and had to correct his words.)
    • Ik heb me gisteren op het feestje een paar keer versproken en dat zorgde voor veel gelach. (I misspoke a few times at the party yesterday, and it caused a lot of laughter.)
    • Het is normaal om je af en toe te verspreken, iedereen maakt wel eens een foutje tijdens het praten. (It's normal to misspeak occasionally, everyone makes mistakes while speaking from time to time.)
    • Als je te snel praat, is de kans groter dat je je verspreekt en verkeerde woorden gebruikt. (If you speak too fast, the chances of misspeaking and using the wrong words are higher.)
    • Tijdens de presentatie was hij zo zenuwachtig dat hij zich voortdurend versprak en zijn tekst vergat. (During the presentation, he was so nervous that he kept misspeaking and forgetting his lines.)

    Etymology

    From Middle Dutch versprēken. Equivalent to ver- + spreken.

    Verbs referencing "verspreken"

    Old English forsprecan.

    Additional Information