suspenderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of suspenderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: suspenderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: suspenderend
Past participle - Verleden deelwoord: gesuspendeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksuspendeer
jijsuspendeert
hijsuspendeert
wijsuspenderen
julliesuspenderen
zijsuspenderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesuspendeerd
jijhebt gesuspendeerd
hijheeft gesuspendeerd
wijhebben gesuspendeerd
julliehebben gesuspendeerd
zijhebben gesuspendeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksuspendeerde
jijsuspendeerde
hijsuspendeerde
wijsuspendeerden
julliesuspendeerden
zijsuspendeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesuspendeerd
jijhad gesuspendeerd
hijhad gesuspendeerd
wijhadden gesuspendeerd
julliehadden gesuspendeerd
zijhadden gesuspendeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal suspenderen
jijzult suspenderen
hijzal suspenderen
wijzullen suspenderen
julliezullen suspenderen
zijzullen suspenderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesuspendeerd hebben
jijzult gesuspendeerd hebben
hijzal gesuspendeerd hebben
wijzullen gesuspendeerd hebben
julliezullen gesuspendeerd hebben
zijzullen gesuspendeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou suspenderen
jijzou suspenderen
hijzou suspenderen
wijzouden suspenderen
julliezouden suspenderen
zijzouden suspenderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesuspendeerd hebben
jijzou gesuspendeerd hebben
hijzou gesuspendeerd hebben
wijzouden gesuspendeerd hebben
julliezouden gesuspendeerd hebben
zijzouden gesuspendeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsuspendeer

Translations

  • suspend, to create a suspension
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information