sublimeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sublimeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sublimeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sublimerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesublimeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksublimeer
jijsublimeert
hijsublimeert
wijsublimeren
julliesublimeren
zijsublimeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesublimeerd
jijhebt gesublimeerd
hijheeft gesublimeerd
wijhebben gesublimeerd
julliehebben gesublimeerd
zijhebben gesublimeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksublimeerde
jijsublimeerde
hijsublimeerde
wijsublimeerden
julliesublimeerden
zijsublimeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesublimeerd
jijhad gesublimeerd
hijhad gesublimeerd
wijhadden gesublimeerd
julliehadden gesublimeerd
zijhadden gesublimeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sublimeren
jijzult sublimeren
hijzal sublimeren
wijzullen sublimeren
julliezullen sublimeren
zijzullen sublimeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesublimeerd hebben
jijzult gesublimeerd hebben
hijzal gesublimeerd hebben
wijzullen gesublimeerd hebben
julliezullen gesublimeerd hebben
zijzullen gesublimeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sublimeren
jijzou sublimeren
hijzou sublimeren
wijzouden sublimeren
julliezouden sublimeren
zijzouden sublimeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesublimeerd hebben
jijzou gesublimeerd hebben
hijzou gesublimeerd hebben
wijzouden gesublimeerd hebben
julliezouden gesublimeerd hebben
zijzouden gesublimeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsublimeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch sublimeren, from Middle French sublimer, from Latin sublimō. See: Latin 'sublimō'.

Additional Information