stotteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stotteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stotteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stotterend
Past participle - Verleden deelwoord: gestotterd

Cognates

See the 4 cognates of stotteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstotter
jijstottert
hijstottert
wijstotteren
julliestotteren
zijstotteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestotterd
jijhebt gestotterd
hijheeft gestotterd
wijhebben gestotterd
julliehebben gestotterd
zijhebben gestotterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstotterde
jijstotterde
hijstotterde
wijstotterden
julliestotterden
zijstotterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestotterd
jijhad gestotterd
hijhad gestotterd
wijhadden gestotterd
julliehadden gestotterd
zijhadden gestotterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stotteren
jijzult stotteren
hijzal stotteren
wijzullen stotteren
julliezullen stotteren
zijzullen stotteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestotterd hebben
jijzult gestotterd hebben
hijzal gestotterd hebben
wijzullen gestotterd hebben
julliezullen gestotterd hebben
zijzullen gestotterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stotteren
jijzou stotteren
hijzou stotteren
wijzouden stotteren
julliezouden stotteren
zijzouden stotteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestotterd hebben
jijzou gestotterd hebben
hijzou gestotterd hebben
wijzouden gestotterd hebben
julliezouden gestotterd hebben
zijzouden gestotterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstotter

Translations

  • stammer, to stutter
  • titubate, to stutter
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "stotteren"

    English stutter, Norwegian, nynorsk stòta.

    Additional Information