otteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of otteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: otteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: otterend
Past participle - Verleden deelwoord: geotterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikotter
jijottert
hijottert
wijotteren
jullieotteren
zijotteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geotterd
jijhebt geotterd
hijheeft geotterd
wijhebben geotterd
julliehebben geotterd
zijhebben geotterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikotterde
jijotterde
hijotterde
wijotterden
jullieotterden
zijotterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geotterd
jijhad geotterd
hijhad geotterd
wijhadden geotterd
julliehadden geotterd
zijhadden geotterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal otteren
jijzult otteren
hijzal otteren
wijzullen otteren
julliezullen otteren
zijzullen otteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geotterd hebben
jijzult geotterd hebben
hijzal geotterd hebben
wijzullen geotterd hebben
julliezullen geotterd hebben
zijzullen geotterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou otteren
jijzou otteren
hijzou otteren
wijzouden otteren
julliezouden otteren
zijzouden otteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geotterd hebben
jijzou geotterd hebben
hijzou geotterd hebben
wijzouden geotterd hebben
julliezouden geotterd hebben
zijzouden geotterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijotter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From otter + -en, compare zweten als een otter.

Additional Information