halveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of halveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: halveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: halverend
Past participle - Verleden deelwoord: gehalveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhalveer
jijhalveert
hijhalveert
wijhalveren
julliehalveren
zijhalveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehalveerd
jijhebt gehalveerd
hijheeft gehalveerd
wijhebben gehalveerd
julliehebben gehalveerd
zijhebben gehalveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhalveerde
jijhalveerde
hijhalveerde
wijhalveerden
julliehalveerden
zijhalveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehalveerd
jijhad gehalveerd
hijhad gehalveerd
wijhadden gehalveerd
julliehadden gehalveerd
zijhadden gehalveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal halveren
jijzult halveren
hijzal halveren
wijzullen halveren
julliezullen halveren
zijzullen halveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehalveerd hebben
jijzult gehalveerd hebben
hijzal gehalveerd hebben
wijzullen gehalveerd hebben
julliezullen gehalveerd hebben
zijzullen gehalveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou halveren
jijzou halveren
hijzou halveren
wijzouden halveren
julliezouden halveren
zijzouden halveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehalveerd hebben
jijzou gehalveerd hebben
hijzou gehalveerd hebben
wijzouden gehalveerd hebben
julliezouden gehalveerd hebben
zijzouden gehalveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhalveer

Translations

  • halve, to reduce to half of original
  • halve, to divide in two equal parts
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From earlier halveeren, halvéren, an augmented form of Middle Dutch halven (“to halve”), equivalent to half + -eren. Compare similarly formed Middle High German halbieren (> modern German halbieren), from earlier Middle High German halben, helben (“to halve”), and Middle Low German halvêren (> modern German Low German halberen). See: Middle High German 'halbieren', German, old spelling 'halbieren', Middle High German 'halben'.

    Verbs referencing "halveren"

    English halve.

    Additional Information