overslaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overslaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overslaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overslaand
Past participle - Verleden deelwoord: overgeslagen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksla over
jijslaat over
hijslaat over
wijslaan over
jullieslaan over
zijslaan over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgeslagen
jijhebt overgeslagen
hijheeft overgeslagen
wijhebben overgeslagen
julliehebben overgeslagen
zijhebben overgeslagen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloeg over
jijsloeg over
hijsloeg over
wijsloegen over
julliesloegen over
zijsloegen over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgeslagen
jijhad overgeslagen
hijhad overgeslagen
wijhadden overgeslagen
julliehadden overgeslagen
zijhadden overgeslagen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overslaan
jijzult overslaan
hijzal overslaan
wijzullen overslaan
julliezullen overslaan
zijzullen overslaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgeslagen hebben
jijzult overgeslagen hebben
hijzal overgeslagen hebben
wijzullen overgeslagen hebben
julliezullen overgeslagen hebben
zijzullen overgeslagen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overslaan
jijzou overslaan
hijzou overslaan
wijzouden overslaan
julliezouden overslaan
zijzouden overslaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgeslagen hebben
jijzou overgeslagen hebben
hijzou overgeslagen hebben
wijzouden overgeslagen hebben
julliezouden overgeslagen hebben
zijzouden overgeslagen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsla over

Translations

  • skip, omit or disregard intermediate items or stages
  • skip, not to attend
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    overgaan
    overspringen
    omslaan
    veranderen
    doorslaan
    overhellen
    vergeten
    verzuimen, weglaten

    Antonyms

    vergeten
    herinneren, gedenken

    Sample Sentences

    • Ze heeft een klas overgeslagen. (She skipped a grade.)
    • Er is een nieuwe vorm van hiv overgeslagen van de gorilla naar de mens (There is a new HIV virus that jumped species from gorillas to humans.)
    • In de eerste drie maanden van het jaar werd 10,8 procent minder goederen overgeslagen in Rotterdam ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. (In the first three months of the year, 10.8% less cargo was transferred compared to the same period last year in Rotterdam.)

    Etymology

    From over (“over”) + slaan (“to hit”).

    Additional Information