moduleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of moduleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: moduleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: modulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemoduleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmoduleer
jijmoduleert
hijmoduleert
wijmoduleren
julliemoduleren
zijmoduleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemoduleerd
jijhebt gemoduleerd
hijheeft gemoduleerd
wijhebben gemoduleerd
julliehebben gemoduleerd
zijhebben gemoduleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmoduleerde
jijmoduleerde
hijmoduleerde
wijmoduleerden
julliemoduleerden
zijmoduleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemoduleerd
jijhad gemoduleerd
hijhad gemoduleerd
wijhadden gemoduleerd
julliehadden gemoduleerd
zijhadden gemoduleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal moduleren
jijzult moduleren
hijzal moduleren
wijzullen moduleren
julliezullen moduleren
zijzullen moduleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemoduleerd hebben
jijzult gemoduleerd hebben
hijzal gemoduleerd hebben
wijzullen gemoduleerd hebben
julliezullen gemoduleerd hebben
zijzullen gemoduleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou moduleren
jijzou moduleren
hijzou moduleren
wijzouden moduleren
julliezouden moduleren
zijzouden moduleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemoduleerd hebben
jijzou gemoduleerd hebben
hijzou gemoduleerd hebben
wijzouden gemoduleerd hebben
julliezouden gemoduleerd hebben
zijzouden gemoduleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmoduleer

Translations

  • modulate, to vary the amplitude etc.
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French moduler. See: French 'moduler'.

    Additional Information