nagelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nagelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nagelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nagelend
Past participle - Verleden deelwoord: genageld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknagel
jijnagelt
hijnagelt
wijnagelen
jullienagelen
zijnagelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genageld
jijhebt genageld
hijheeft genageld
wijhebben genageld
julliehebben genageld
zijhebben genageld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknagelde
jijnagelde
hijnagelde
wijnagelden
jullienagelden
zijnagelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genageld
jijhad genageld
hijhad genageld
wijhadden genageld
julliehadden genageld
zijhadden genageld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nagelen
jijzult nagelen
hijzal nagelen
wijzullen nagelen
julliezullen nagelen
zijzullen nagelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genageld hebben
jijzult genageld hebben
hijzal genageld hebben
wijzullen genageld hebben
julliezullen genageld hebben
zijzullen genageld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nagelen
jijzou nagelen
hijzou nagelen
wijzouden nagelen
julliezouden nagelen
zijzouden nagelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genageld hebben
jijzou genageld hebben
hijzou genageld hebben
wijzouden genageld hebben
julliezouden genageld hebben
zijzouden genageld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnagel

Translations

  • nail, employ a nail as a fastener
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch nāgelen, from Old Dutch *nagalen, from Proto-West Germanic *naglijan, from Proto-Germanic *naglijaną. Equivalent to nagel + -en. See: Proto-Germanic '*naglijaną'.

    Additional Information