gaggelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gaggelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gaggelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gaggelend
Past participle - Verleden deelwoord: gegaggeld

Cognates

See the 2 cognates of gaggelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgaggel
jijgaggelt
hijgaggelt
wijgaggelen
julliegaggelen
zijgaggelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegaggeld
jijhebt gegaggeld
hijheeft gegaggeld
wijhebben gegaggeld
julliehebben gegaggeld
zijhebben gegaggeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaggelde
jijgaggelde
hijgaggelde
wijgaggelden
julliegaggelden
zijgaggelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegaggeld
jijhad gegaggeld
hijhad gegaggeld
wijhadden gegaggeld
julliehadden gegaggeld
zijhadden gegaggeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gaggelen
jijzult gaggelen
hijzal gaggelen
wijzullen gaggelen
julliezullen gaggelen
zijzullen gaggelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegaggeld hebben
jijzult gegaggeld hebben
hijzal gegaggeld hebben
wijzullen gegaggeld hebben
julliezullen gegaggeld hebben
zijzullen gegaggeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gaggelen
jijzou gaggelen
hijzou gaggelen
wijzouden gaggelen
julliezouden gaggelen
zijzouden gaggelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegaggeld hebben
jijzou gegaggeld hebben
hijzou gegaggeld hebben
wijzouden gegaggeld hebben
julliezouden gegaggeld hebben
zijzouden gegaggeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgaggel

Translations

  • cackle, to make a sharp, broken noise or cry, as a hen or goose does
  • cackle, to laugh with a sound similar to a hen's cry
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Cognate to English gaggle. See: English 'gaggle'.

    Verbs referencing "gaggelen"

    English gaggle.

    Additional Information