fabelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fabelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fabelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fabelend
Past participle - Verleden deelwoord: gefabeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfabel
jijfabelt
hijfabelt
wijfabelen
julliefabelen
zijfabelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefabeld
jijhebt gefabeld
hijheeft gefabeld
wijhebben gefabeld
julliehebben gefabeld
zijhebben gefabeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfabelde
jijfabelde
hijfabelde
wijfabelden
julliefabelden
zijfabelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefabeld
jijhad gefabeld
hijhad gefabeld
wijhadden gefabeld
julliehadden gefabeld
zijhadden gefabeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fabelen
jijzult fabelen
hijzal fabelen
wijzullen fabelen
julliezullen fabelen
zijzullen fabelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefabeld hebben
jijzult gefabeld hebben
hijzal gefabeld hebben
wijzullen gefabeld hebben
julliezullen gefabeld hebben
zijzullen gefabeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fabelen
jijzou fabelen
hijzou fabelen
wijzouden fabelen
julliezouden fabelen
zijzouden fabelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefabeld hebben
jijzou gefabeld hebben
hijzou gefabeld hebben
wijzouden gefabeld hebben
julliezouden gefabeld hebben
zijzouden gefabeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfabel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information