makelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of makelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: makelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: makelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmakel
jijmakelt
hijmakelt
wijmakelen
julliemakelen
zijmakelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemakeld
jijhebt gemakeld
hijheeft gemakeld
wijhebben gemakeld
julliehebben gemakeld
zijhebben gemakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmakelde
jijmakelde
hijmakelde
wijmakelden
julliemakelden
zijmakelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemakeld
jijhad gemakeld
hijhad gemakeld
wijhadden gemakeld
julliehadden gemakeld
zijhadden gemakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal makelen
jijzult makelen
hijzal makelen
wijzullen makelen
julliezullen makelen
zijzullen makelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemakeld hebben
jijzult gemakeld hebben
hijzal gemakeld hebben
wijzullen gemakeld hebben
julliezullen gemakeld hebben
zijzullen gemakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou makelen
jijzou makelen
hijzou makelen
wijzouden makelen
julliezouden makelen
zijzouden makelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemakeld hebben
jijzou gemakeld hebben
hijzou gemakeld hebben
wijzouden gemakeld hebben
julliezouden gemakeld hebben
zijzouden gemakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmakel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From maken + -elen, although the existence of a Middle Dutch *makelen is strongly suggested by the compound makelgelt. Although seemingly derived from this verb, makelaar (attested already in Middle Dutch) is thought to be borrowed and likely gave rise to this verb rather than the other way around.

Additional Information