maitriseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of maitriseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: maitriseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: maitriserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemaitriseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaitriseer
jijmaitriseert
hijmaitriseert
wijmaitriseren
julliemaitriseren
zijmaitriseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemaitriseerd
jijhebt gemaitriseerd
hijheeft gemaitriseerd
wijhebben gemaitriseerd
julliehebben gemaitriseerd
zijhebben gemaitriseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaitriseerde
jijmaitriseerde
hijmaitriseerde
wijmaitriseerden
julliemaitriseerden
zijmaitriseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemaitriseerd
jijhad gemaitriseerd
hijhad gemaitriseerd
wijhadden gemaitriseerd
julliehadden gemaitriseerd
zijhadden gemaitriseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal maitriseren
jijzult maitriseren
hijzal maitriseren
wijzullen maitriseren
julliezullen maitriseren
zijzullen maitriseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemaitriseerd hebben
jijzult gemaitriseerd hebben
hijzal gemaitriseerd hebben
wijzullen gemaitriseerd hebben
julliezullen gemaitriseerd hebben
zijzullen gemaitriseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou maitriseren
jijzou maitriseren
hijzou maitriseren
wijzouden maitriseren
julliezouden maitriseren
zijzouden maitriseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemaitriseerd hebben
jijzou gemaitriseerd hebben
hijzou gemaitriseerd hebben
wijzouden gemaitriseerd hebben
julliezouden gemaitriseerd hebben
zijzouden gemaitriseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaitriseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information