jokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gejokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjok
jijjokt
hijjokt
wijjokken
julliejokken
zijjokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejokt
jijhebt gejokt
hijheeft gejokt
wijhebben gejokt
julliehebben gejokt
zijhebben gejokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjokte
jijjokte
hijjokte
wijjokten
julliejokten
zijjokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejokt
jijhad gejokt
hijhad gejokt
wijhadden gejokt
julliehadden gejokt
zijhadden gejokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jokken
jijzult jokken
hijzal jokken
wijzullen jokken
julliezullen jokken
zijzullen jokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejokt hebben
jijzult gejokt hebben
hijzal gejokt hebben
wijzullen gejokt hebben
julliezullen gejokt hebben
zijzullen gejokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jokken
jijzou jokken
hijzou jokken
wijzouden jokken
julliezouden jokken
zijzouden jokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejokt hebben
jijzou gejokt hebben
hijzou gejokt hebben
wijzouden gejokt hebben
julliezouden gejokt hebben
zijzouden gejokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjok

Translations

  • fib, to tell a more or less inconsequential lie
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch jocken, from Latin iocārī (“to joke, to jest”). See: Latin 'iocōr'.

    Additional Information