jeuken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jeuken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jeuken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jeukend
Past participle - Verleden deelwoord: gejeukt

Cognates

See the 2 cognates of jeuken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijjeukt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gejeukt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijjeukte

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gejeukt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal jeuken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gejeukt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou jeuken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gejeukt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

  • itch, to feel the need to scratch
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kriebelen
    krieuwelen

    Sample Sentences

    Etymology

    1. From Middle Dutch joken, juecken, long-vowel variants of jocken, jucken, from Old Dutch *jukken, from Proto-West Germanic *jukkjan. The long vowels developed before the single consonants in the 2nd and 3rd person singular forms, e.g. Old Dutch 3rd person singular *jukit.
    2. Cognate with German jucken, English itch. See: German, old spelling 'jucken', English 'itch'.

    Verbs referencing "jeuken"

    English itch.

    Additional Information