Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: jeuken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jeukend
Past participle - Verleden deelwoord: gejeukt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'jeuken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'jeuken'
beuken,
deuken,
meuken,
neuken,
dekken,
denken,
geuren,
jeukelen,
jokken,
jukken,
Translations
itch, to feel the need to scratch
Sample Sentences
Etymology
1. From Middle Dutch joken, juecken, long-vowel variants of jocken, jucken, from Old Dutch *jukken, from Proto-West Germanic *jukkjan. The long vowels developed before the single consonants in the 2nd and 3rd person singular forms, e.g. Old Dutch 3rd person singular *jukit.
2. Cognate with German jucken, English itch. See: German, old spelling '
jucken', English '
itch'.
Verbs referencing "jeuken"
English
itch.
Additional Information