inleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inleiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inleidend
Past participle - Verleden deelwoord: ingeleid

Cognates

See the 4 cognates of inleiden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleid in
jijleidt in
hijleidt in
wijleiden in
jullieleiden in
zijleiden in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingeleid
jijhebt ingeleid
hijheeft ingeleid
wijhebben ingeleid
julliehebben ingeleid
zijhebben ingeleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleidde in
jijleidde in
hijleidde in
wijleidden in
jullieleidden in
zijleidden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingeleid
jijhad ingeleid
hijhad ingeleid
wijhadden ingeleid
julliehadden ingeleid
zijhadden ingeleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inleiden
jijzult inleiden
hijzal inleiden
wijzullen inleiden
julliezullen inleiden
zijzullen inleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingeleid hebben
jijzult ingeleid hebben
hijzal ingeleid hebben
wijzullen ingeleid hebben
julliezullen ingeleid hebben
zijzullen ingeleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inleiden
jijzou inleiden
hijzou inleiden
wijzouden inleiden
julliezouden inleiden
zijzouden inleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingeleid hebben
jijzou ingeleid hebben
hijzou ingeleid hebben
wijzouden ingeleid hebben
julliezouden ingeleid hebben
zijzouden ingeleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleid in

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

introduceren
voorstellen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch inleiden. Equivalent to in + leiden.

Verbs referencing "inleiden"

German, old spelling einleiten, English inlead.

Additional Information