geleiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of geleiden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: geleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geleidend
Past participle - Verleden deelwoord: geleid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeleid
jijgeleidt
hijgeleidt
wijgeleiden
julliegeleiden
zijgeleiden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geleid
jijhebt geleid
hijheeft geleid
wijhebben geleid
julliehebben geleid
zijhebben geleid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeleidde
jijgeleidde
hijgeleidde
wijgeleidden
julliegeleidden
zijgeleidden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geleid
jijhad geleid
hijhad geleid
wijhadden geleid
julliehadden geleid
zijhadden geleid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal geleiden
jijzult geleiden
hijzal geleiden
wijzullen geleiden
julliezullen geleiden
zijzullen geleiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geleid hebben
jijzult geleid hebben
hijzal geleid hebben
wijzullen geleid hebben
julliezullen geleid hebben
zijzullen geleid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou geleiden
jijzou geleiden
hijzou geleiden
wijzouden geleiden
julliezouden geleiden
zijzouden geleiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geleid hebben
jijzou geleid hebben
hijzou geleid hebben
wijzouden geleid hebben
julliezouden geleid hebben
zijzouden geleid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeleid

Translations

  • hand, to lead, guide, or assist with the hand
  • conduct, act as a conductor (of heat, electricity, etc.)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] het gebergte, niets ongewoons was, vooral als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, keurden zij dit [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch geleiden, from Old Dutch gileiden. Equivalent to ge- + leiden.

    Additional Information