Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: geleiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geleidend
Past participle - Verleden deelwoord: geleid
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | geleid |
| jij | geleidt |
| hij | geleidt |
| wij | geleiden |
| jullie | geleiden |
| zij | geleiden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geleid |
| jij | hebt geleid |
| hij | heeft geleid |
| wij | hebben geleid |
| jullie | hebben geleid |
| zij | hebben geleid |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | geleidde |
| jij | geleidde |
| hij | geleidde |
| wij | geleidden |
| jullie | geleidden |
| zij | geleidden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geleid |
| jij | had geleid |
| hij | had geleid |
| wij | hadden geleid |
| jullie | hadden geleid |
| zij | hadden geleid |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal geleiden |
| jij | zult geleiden |
| hij | zal geleiden |
| wij | zullen geleiden |
| jullie | zullen geleiden |
| zij | zullen geleiden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geleid hebben |
| jij | zult geleid hebben |
| hij | zal geleid hebben |
| wij | zullen geleid hebben |
| jullie | zullen geleid hebben |
| zij | zullen geleid hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou geleiden |
| jij | zou geleiden |
| hij | zou geleiden |
| wij | zouden geleiden |
| jullie | zouden geleiden |
| zij | zouden geleiden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geleid hebben |
| jij | zou geleid hebben |
| hij | zou geleid hebben |
| wij | zouden geleid hebben |
| jullie | zouden geleid hebben |
| zij | zouden geleid hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'geleiden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'geleiden'
afleiden,
begeleiden,
gelden,
inleiden,
leiden,
opleiden,
verleiden,
aanleiden,
arbeiden,
bekleden,
Translations
hand, to lead, guide, or assist with the hand
conduct, act as a conductor (of heat, electricity, etc.)
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] het gebergte, niets ongewoons was, vooral als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden, keurden zij dit [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch geleiden, from Old Dutch gileiden. Equivalent to ge- + leiden.
Additional Information