ingeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ingeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ingeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ingevend
Past participle - Verleden deelwoord: ingeven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeef in
jijgeeft in
hijgeeft in
wijgeven in
julliegeven in
zijgeven in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingeven
jijhebt ingeven
hijheeft ingeven
wijhebben ingeven
julliehebben ingeven
zijhebben ingeven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaf in
jijgaf in
hijgaf in
wijgaven in
julliegaven in
zijgaven in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingeven
jijhad ingeven
hijhad ingeven
wijhadden ingeven
julliehadden ingeven
zijhadden ingeven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ingeven
jijzult ingeven
hijzal ingeven
wijzullen ingeven
julliezullen ingeven
zijzullen ingeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingeven hebben
jijzult ingeven hebben
hijzal ingeven hebben
wijzullen ingeven hebben
julliezullen ingeven hebben
zijzullen ingeven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ingeven
jijzou ingeven
hijzou ingeven
wijzouden ingeven
julliezouden ingeven
zijzouden ingeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingeven hebben
jijzou ingeven hebben
hijzou ingeven hebben
wijzouden ingeven hebben
julliezouden ingeven hebben
zijzouden ingeven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeef in

Translations

  • input, to enter data
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From in + geven.

    Additional Information