frapperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of frapperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: frapperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: frapperend
Past participle - Verleden deelwoord: gefrappeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfrappeer
jijfrappeert
hijfrappeert
wijfrapperen
julliefrapperen
zijfrapperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefrappeerd
jijhebt gefrappeerd
hijheeft gefrappeerd
wijhebben gefrappeerd
julliehebben gefrappeerd
zijhebben gefrappeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfrappeerde
jijfrappeerde
hijfrappeerde
wijfrappeerden
julliefrappeerden
zijfrappeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefrappeerd
jijhad gefrappeerd
hijhad gefrappeerd
wijhadden gefrappeerd
julliehadden gefrappeerd
zijhadden gefrappeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal frapperen
jijzult frapperen
hijzal frapperen
wijzullen frapperen
julliezullen frapperen
zijzullen frapperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefrappeerd hebben
jijzult gefrappeerd hebben
hijzal gefrappeerd hebben
wijzullen gefrappeerd hebben
julliezullen gefrappeerd hebben
zijzullen gefrappeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou frapperen
jijzou frapperen
hijzou frapperen
wijzouden frapperen
julliezouden frapperen
zijzouden frapperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefrappeerd hebben
jijzou gefrappeerd hebben
hijzou gefrappeerd hebben
wijzouden gefrappeerd hebben
julliezouden gefrappeerd hebben
zijzouden gefrappeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfrappeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opvallen
treffen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information