dirigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dirigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dirigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dirigerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedirigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdirigeer
jijdirigeert
hijdirigeert
wijdirigeren
julliedirigeren
zijdirigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedirigeerd
jijhebt gedirigeerd
hijheeft gedirigeerd
wijhebben gedirigeerd
julliehebben gedirigeerd
zijhebben gedirigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdirigeerde
jijdirigeerde
hijdirigeerde
wijdirigeerden
julliedirigeerden
zijdirigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedirigeerd
jijhad gedirigeerd
hijhad gedirigeerd
wijhadden gedirigeerd
julliehadden gedirigeerd
zijhadden gedirigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dirigeren
jijzult dirigeren
hijzal dirigeren
wijzullen dirigeren
julliezullen dirigeren
zijzullen dirigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedirigeerd hebben
jijzult gedirigeerd hebben
hijzal gedirigeerd hebben
wijzullen gedirigeerd hebben
julliezullen gedirigeerd hebben
zijzullen gedirigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dirigeren
jijzou dirigeren
hijzou dirigeren
wijzouden dirigeren
julliezouden dirigeren
zijzouden dirigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedirigeerd hebben
jijzou gedirigeerd hebben
hijzou gedirigeerd hebben
wijzouden gedirigeerd hebben
julliezouden gedirigeerd hebben
zijzouden gedirigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdirigeer

Translations

  • conduct, music: to direct
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    leiden
    aanvoeren

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French diriger, from Latin dīrigō. See: Middle French 'diriger', Latin 'dīrigō'.

    Additional Information