Infinitive - Onbepaalde wijs: dichtknopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dichtknopend
Past participle - Verleden deelwoord: dichtgeknoopt
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | knoop dicht |
| jij | knoopt dicht |
| hij | knoopt dicht |
| wij | knopen dicht |
| jullie | knopen dicht |
| zij | knopen dicht |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb dichtgeknoopt |
| jij | hebt dichtgeknoopt |
| hij | heeft dichtgeknoopt |
| wij | hebben dichtgeknoopt |
| jullie | hebben dichtgeknoopt |
| zij | hebben dichtgeknoopt |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | knoopte dicht |
| jij | knoopte dicht |
| hij | knoopte dicht |
| wij | knoopten dicht |
| jullie | knoopten dicht |
| zij | knoopten dicht |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had dichtgeknoopt |
| jij | had dichtgeknoopt |
| hij | had dichtgeknoopt |
| wij | hadden dichtgeknoopt |
| jullie | hadden dichtgeknoopt |
| zij | hadden dichtgeknoopt |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal dichtknopen |
| jij | zult dichtknopen |
| hij | zal dichtknopen |
| wij | zullen dichtknopen |
| jullie | zullen dichtknopen |
| zij | zullen dichtknopen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal dichtgeknoopt hebben |
| jij | zult dichtgeknoopt hebben |
| hij | zal dichtgeknoopt hebben |
| wij | zullen dichtgeknoopt hebben |
| jullie | zullen dichtgeknoopt hebben |
| zij | zullen dichtgeknoopt hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou dichtknopen |
| jij | zou dichtknopen |
| hij | zou dichtknopen |
| wij | zouden dichtknopen |
| jullie | zouden dichtknopen |
| zij | zouden dichtknopen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou dichtgeknoopt hebben |
| jij | zou dichtgeknoopt hebben |
| hij | zou dichtgeknoopt hebben |
| wij | zouden dichtgeknoopt hebben |
| jullie | zouden dichtgeknoopt hebben |
| zij | zouden dichtgeknoopt hebben |
| jij | knoop dicht |