detecteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of detecteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: detecteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: detecterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedetecteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdetecteer
jijdetecteert
hijdetecteert
wijdetecteren
julliedetecteren
zijdetecteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedetecteerd
jijhebt gedetecteerd
hijheeft gedetecteerd
wijhebben gedetecteerd
julliehebben gedetecteerd
zijhebben gedetecteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdetecteerde
jijdetecteerde
hijdetecteerde
wijdetecteerden
julliedetecteerden
zijdetecteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedetecteerd
jijhad gedetecteerd
hijhad gedetecteerd
wijhadden gedetecteerd
julliehadden gedetecteerd
zijhadden gedetecteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal detecteren
jijzult detecteren
hijzal detecteren
wijzullen detecteren
julliezullen detecteren
zijzullen detecteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedetecteerd hebben
jijzult gedetecteerd hebben
hijzal gedetecteerd hebben
wijzullen gedetecteerd hebben
julliezullen gedetecteerd hebben
zijzullen gedetecteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou detecteren
jijzou detecteren
hijzou detecteren
wijzouden detecteren
julliezouden detecteren
zijzouden detecteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedetecteerd hebben
jijzou gedetecteerd hebben
hijzou gedetecteerd hebben
wijzouden gedetecteerd hebben
julliezouden gedetecteerd hebben
zijzouden gedetecteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdetecteer

Translations

  • detect, to discover or find by careful search, examination, or probing
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French détecter. See: French 'détecter'.

    Additional Information