delibereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of delibereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: delibereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: delibererend
Past participle - Verleden deelwoord: gedelibereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdelibereer
jijdelibereert
hijdelibereert
wijdelibereren
julliedelibereren
zijdelibereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedelibereerd
jijhebt gedelibereerd
hijheeft gedelibereerd
wijhebben gedelibereerd
julliehebben gedelibereerd
zijhebben gedelibereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdelibereerde
jijdelibereerde
hijdelibereerde
wijdelibereerden
julliedelibereerden
zijdelibereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedelibereerd
jijhad gedelibereerd
hijhad gedelibereerd
wijhadden gedelibereerd
julliehadden gedelibereerd
zijhadden gedelibereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal delibereren
jijzult delibereren
hijzal delibereren
wijzullen delibereren
julliezullen delibereren
zijzullen delibereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedelibereerd hebben
jijzult gedelibereerd hebben
hijzal gedelibereerd hebben
wijzullen gedelibereerd hebben
julliezullen gedelibereerd hebben
zijzullen gedelibereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou delibereren
jijzou delibereren
hijzou delibereren
wijzouden delibereren
julliezouden delibereren
zijzouden delibereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedelibereerd hebben
jijzou gedelibereerd hebben
hijzou gedelibereerd hebben
wijzouden gedelibereerd hebben
julliezouden gedelibereerd hebben
zijzouden gedelibereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdelibereer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information