consolideren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of consolideren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: consolideren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: consoliderend
Past participle - Verleden deelwoord: geconsolideerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconsolideer
jijconsolideert
hijconsolideert
wijconsolideren
jullieconsolideren
zijconsolideren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconsolideerd
jijhebt geconsolideerd
hijheeft geconsolideerd
wijhebben geconsolideerd
julliehebben geconsolideerd
zijhebben geconsolideerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconsolideerde
jijconsolideerde
hijconsolideerde
wijconsolideerden
jullieconsolideerden
zijconsolideerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconsolideerd
jijhad geconsolideerd
hijhad geconsolideerd
wijhadden geconsolideerd
julliehadden geconsolideerd
zijhadden geconsolideerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal consolideren
jijzult consolideren
hijzal consolideren
wijzullen consolideren
julliezullen consolideren
zijzullen consolideren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconsolideerd hebben
jijzult geconsolideerd hebben
hijzal geconsolideerd hebben
wijzullen geconsolideerd hebben
julliezullen geconsolideerd hebben
zijzullen geconsolideerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou consolideren
jijzou consolideren
hijzou consolideren
wijzouden consolideren
julliezouden consolideren
zijzouden consolideren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconsolideerd hebben
jijzou geconsolideerd hebben
hijzou geconsolideerd hebben
wijzouden geconsolideerd hebben
julliezouden geconsolideerd hebben
zijzouden geconsolideerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconsolideer

Translations

  • consolidate, to make stronger or more solid
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bestendigen
    handhaven, verstevigen

    Sample Sentences

    • Het bedrijf zal verschillende afdelingen samenvoegen om de efficiëntie te consolideren en kosten te besparen. (The company will merge various departments to consolidate efficiency and save costs.)
    • De politieke partijen werken samen om hun macht te consolideren en een sterke coalitie te vormen. (The political parties are working together to consolidate their power and form a strong coalition.)

    Etymology

    From Middle Dutch consolideren, from Old French consolider, from Latin cōnsolidō. See: Latin 'cōnsolidō'.

    Additional Information