confineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of confineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: confineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: confinerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconfineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconfineer
jijconfineert
hijconfineert
wijconfineren
jullieconfineren
zijconfineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconfineerd
jijhebt geconfineerd
hijheeft geconfineerd
wijhebben geconfineerd
julliehebben geconfineerd
zijhebben geconfineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconfineerde
jijconfineerde
hijconfineerde
wijconfineerden
jullieconfineerden
zijconfineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconfineerd
jijhad geconfineerd
hijhad geconfineerd
wijhadden geconfineerd
julliehadden geconfineerd
zijhadden geconfineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal confineren
jijzult confineren
hijzal confineren
wijzullen confineren
julliezullen confineren
zijzullen confineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconfineerd hebben
jijzult geconfineerd hebben
hijzal geconfineerd hebben
wijzullen geconfineerd hebben
julliezullen geconfineerd hebben
zijzullen geconfineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou confineren
jijzou confineren
hijzou confineren
wijzouden confineren
julliezouden confineren
zijzouden confineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconfineerd hebben
jijzou geconfineerd hebben
hijzou geconfineerd hebben
wijzouden geconfineerd hebben
julliezouden geconfineerd hebben
zijzouden geconfineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconfineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowing from French confiner. See: French 'confiner'.

Additional Information