betegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of betegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: betegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betegelend
Past participle - Verleden deelwoord: betegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbetegel
jijbetegelt
hijbetegelt
wijbetegelen
julliebetegelen
zijbetegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb betegeld
jijhebt betegeld
hijheeft betegeld
wijhebben betegeld
julliehebben betegeld
zijhebben betegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbetegelde
jijbetegelde
hijbetegelde
wijbetegelden
julliebetegelden
zijbetegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad betegeld
jijhad betegeld
hijhad betegeld
wijhadden betegeld
julliehadden betegeld
zijhadden betegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal betegelen
jijzult betegelen
hijzal betegelen
wijzullen betegelen
julliezullen betegelen
zijzullen betegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal betegeld hebben
jijzult betegeld hebben
hijzal betegeld hebben
wijzullen betegeld hebben
julliezullen betegeld hebben
zijzullen betegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou betegelen
jijzou betegelen
hijzou betegelen
wijzouden betegelen
julliezouden betegelen
zijzouden betegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou betegeld hebben
jijzou betegeld hebben
hijzou betegeld hebben
wijzouden betegeld hebben
julliezouden betegeld hebben
zijzouden betegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbetegel

Translations

  • flag, lay down flagstones
  • pave, (British) to cover with paving stones
  • tile, to cover with tiles
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    plaveien
    bedekken, bestraten, verharden

    Sample Sentences

    Etymology

    From tegel + be- -en.

    Additional Information