apocoperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of apocoperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: apocoperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: apocoperend
Past participle - Verleden deelwoord: geapocopeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikapocopeer
jijapocopeert
hijapocopeert
wijapocoperen
jullieapocoperen
zijapocoperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geapocopeerd
jijhebt geapocopeerd
hijheeft geapocopeerd
wijhebben geapocopeerd
julliehebben geapocopeerd
zijhebben geapocopeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikapocopeerde
jijapocopeerde
hijapocopeerde
wijapocopeerden
jullieapocopeerden
zijapocopeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geapocopeerd
jijhad geapocopeerd
hijhad geapocopeerd
wijhadden geapocopeerd
julliehadden geapocopeerd
zijhadden geapocopeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal apocoperen
jijzult apocoperen
hijzal apocoperen
wijzullen apocoperen
julliezullen apocoperen
zijzullen apocoperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geapocopeerd hebben
jijzult geapocopeerd hebben
hijzal geapocopeerd hebben
wijzullen geapocopeerd hebben
julliezullen geapocopeerd hebben
zijzullen geapocopeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou apocoperen
jijzou apocoperen
hijzou apocoperen
wijzouden apocoperen
julliezouden apocoperen
zijzouden apocoperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geapocopeerd hebben
jijzou geapocopeerd hebben
hijzou geapocopeerd hebben
wijzouden geapocopeerd hebben
julliezouden geapocopeerd hebben
zijzouden geapocopeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijapocopeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information