accrediteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accrediteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accrediteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accrediterend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccrediteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccrediteer
jijaccrediteert
hijaccrediteert
wijaccrediteren
jullieaccrediteren
zijaccrediteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccrediteerd
jijhebt geaccrediteerd
hijheeft geaccrediteerd
wijhebben geaccrediteerd
julliehebben geaccrediteerd
zijhebben geaccrediteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccrediteerde
jijaccrediteerde
hijaccrediteerde
wijaccrediteerden
jullieaccrediteerden
zijaccrediteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccrediteerd
jijhad geaccrediteerd
hijhad geaccrediteerd
wijhadden geaccrediteerd
julliehadden geaccrediteerd
zijhadden geaccrediteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accrediteren
jijzult accrediteren
hijzal accrediteren
wijzullen accrediteren
julliezullen accrediteren
zijzullen accrediteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccrediteerd hebben
jijzult geaccrediteerd hebben
hijzal geaccrediteerd hebben
wijzullen geaccrediteerd hebben
julliezullen geaccrediteerd hebben
zijzullen geaccrediteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accrediteren
jijzou accrediteren
hijzou accrediteren
wijzouden accrediteren
julliezouden accrediteren
zijzouden accrediteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccrediteerd hebben
jijzou geaccrediteerd hebben
hijzou geaccrediteerd hebben
wijzouden geaccrediteerd hebben
julliezouden geaccrediteerd hebben
zijzouden geaccrediteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccrediteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information