schemeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schemeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schemeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schemerend
Past participle - Verleden deelwoord: geschemerd

Cognates

See the 2 cognates of schemeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijschemert

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft geschemerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijschemerde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad geschemerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal schemeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal geschemerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou schemeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou geschemerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

doorschemeren
schimmeren

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch schemeren, from a West Germanic frequentative of Proto-Germanic *skimō (“shadow, spectre”), related to *skīnaną (“to shine”). The -m- probably goes back to an old Proto-Indo-European abstract noun-forming suffix *-mo-, similar to *helmaz.

Verbs referencing "schemeren"

English shimmer.

Additional Information