Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: schemeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schemerend
Past participle - Verleden deelwoord: geschemerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'schemeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'schemeren'
cremeren,
schakeren,
schamperen,
schateren,
scheren,
schetteren,
scheuren,
schmieren,
schuieren,
aanschemeren,
Translations
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- doorschemeren
- schimmeren
Sample Sentences
Etymology
From Middle Dutch schemeren, from a West Germanic frequentative of Proto-Germanic *skimō (“shadow, spectre”), related to *skīnaną (“to shine”). The -m- probably goes back to an old Proto-Indo-European abstract noun-forming suffix *-mo-, similar to *helmaz.
Verbs referencing "schemeren"
English
shimmer.
Additional Information