wegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wegend
Past participle - Verleden deelwoord: gewogen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweeg
jijweegt
hijweegt
wijwegen
julliewegen
zijwegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewogen
jijhebt gewogen
hijheeft gewogen
wijhebben gewogen
julliehebben gewogen
zijhebben gewogen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwoog
jijwoog
hijwoog
wijwogen
julliewogen
zijwogen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewogen
jijhad gewogen
hijhad gewogen
wijhadden gewogen
julliehadden gewogen
zijhadden gewogen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wegen
jijzult wegen
hijzal wegen
wijzullen wegen
julliezullen wegen
zijzullen wegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewogen hebben
jijzult gewogen hebben
hijzal gewogen hebben
wijzullen gewogen hebben
julliezullen gewogen hebben
zijzullen gewogen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wegen
jijzou wegen
hijzou wegen
wijzouden wegen
julliezouden wegen
zijzouden wegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewogen hebben
jijzou gewogen hebben
hijzou gewogen hebben
wijzouden gewogen hebben
julliezouden gewogen hebben
zijzouden gewogen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweeg

Verbs conjugated like 'wegen'

afwegen, bewegen, heroverwegen, overwegen, wegen,

Verbs similar to 'wegen'

legen, vegen, wagen, weren, weten, weven, wezen, wiegen, afwegen, bergen,

Translations

  • intersect, in mathematics
  • weight, in mathematics
  • weigh, to determine the weight of an object
  • heft, to test the weight of something by lifting it
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had. Maar nu ik ziek [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] zakken, te zamen ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen. In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch wēgen, from Old Dutch *wegan, from Proto-West Germanic *wegan, from Proto-Germanic *weganą, from Proto-Indo-European *wéǵʰeti. See: Proto-Germanic '*weganą', Proto-Indo-European '*wéǵʰeti'.

    Verbs referencing "wegen"

    German, old spelling wiegen, German, old spelling wägen, English weigh, Old English wegan, Luxembourgish weien, Alemannic German weigge.

    Additional Information