wezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wezen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zijn; wezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zijnd
Past participle - Verleden deelwoord: geweest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikben
jijbent
hijis
wijzijn
julliezijn
zijzijn

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben geweest
jijbent geweest
hijis geweest
wijzijn geweest
julliezijn geweest
zijzijn geweest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwas
jijwas
hijwas
wijwaren
julliewaren
zijwaren

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas geweest
jijwas geweest
hijwas geweest
wijwaren geweest
julliewaren geweest
zijwaren geweest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zijn; wezen
jijzult zijn; wezen
hijzal zijn; wezen
wijzullen zijn; wezen
julliezullen zijn; wezen
zijzullen zijn; wezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geweest zijn
jijzult geweest zijn
hijzal geweest zijn
wijzullen geweest zijn
julliezullen geweest zijn
zijzullen geweest zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zijn; wezen
jijzou zijn; wezen
hijzou zijn; wezen
wijzouden zijn; wezen
julliezouden zijn; wezen
zijzouden zijn; wezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geweest zijn
jijzou geweest zijn
hijzou geweest zijn
wijzouden geweest zijn
julliezouden geweest zijn
zijzouden geweest zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijwees

Verbs conjugated like 'wezen'

wezen, zijn,

Verbs similar to 'wezen'

lezen, wegen, weren, weten, weven, beven, bezien, delen, deren, eren,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] was, en dat zij daar op verren afstand zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] beschikking der Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen. (Robinson Crusoe)
  • Maar, ofschoon ik wist dat het de papegaai was, en niemand anders wezen kon, duurde het eene geruime poos eer ik weder bedaard was van mijne ontroering. Eerst stond ik verwonderd hoe de vogel daar gekomen was, en dan hoe hij juist daar en nergens anders was gaan zitten. [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] booten van den vasten wal konden komen, hetzij opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren, aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] was, mij hierin volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te buiten ging, als ik zulke [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het niet noemen ) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland. (Robinson Crusoe)
  • [...] die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God, zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren waren. [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

1. From Middle Dutch wēsen, from Old Dutch wesan, from Proto-West Germanic *wesan, from Proto-Germanic *wesaną. See zijn.
2. The noun represents a substantivization of the verb and is attested as such since as early as c. 1100. See: Old Dutch 'wesan', Proto-Germanic '*wesaną'.

Verbs referencing "wezen"

Afrikaans wees, Frisian, Saterlandic weze, Low Saxon wesen.

Additional Information