wassen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wassen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wassen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wassend
Past participle - Verleden deelwoord: gewassen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwas
jijwast
hijwast
wijwassen
julliewassen
zijwassen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewassen; gewast
jijhebt gewassen; gewast
hijheeft gewassen; gewast
wijhebben gewassen; gewast
julliehebben gewassen; gewast
zijhebben gewassen; gewast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwaste
jijwaste
hijwaste
wijwasten
julliewasten
zijwasten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewassen; gewast
jijhad gewassen; gewast
hijhad gewassen; gewast
wijhadden gewassen; gewast
julliehadden gewassen; gewast
zijhadden gewassen; gewast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wassen
jijzult wassen
hijzal wassen
wijzullen wassen
julliezullen wassen
zijzullen wassen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewassen; gewast hebben
jijzult gewassen; gewast hebben
hijzal gewassen; gewast hebben
wijzullen gewassen; gewast hebben
julliezullen gewassen; gewast hebben
zijzullen gewassen; gewast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wassen
jijzou wassen
hijzou wassen
wijzouden wassen
julliezouden wassen
zijzouden wassen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewassen; gewast hebben
jijzou gewassen; gewast hebben
hijzou gewassen; gewast hebben
wijzouden gewassen; gewast hebben
julliezouden gewassen; gewast hebben
zijzouden gewassen; gewast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwas

Verbs conjugated like 'wassen'

aanbakken, bakken, wassen,

Verbs similar to 'wassen'

passen, dansen, kussen, kwasten, lasten, masten, missen, tasten, vasten, waaien,

Translations

  • bathe, to clean oneself with water
  • clean, (transitive) to remove dirt from a place or object
  • grow, (''intransitive'') to become bigger
  • wash, to clean with water
  • wax, apply wax to
  • wax, literary: grow
  • wax, of the moon: appear larger each night
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afwassen
    reinigen, schoonmaken

    Sample Sentences

    • Ik ga mijn kleren wassen in de wasmachine. (I am going to wash my clothes in the washing machine.)
    • Vergeet niet je handen te wassen voor het eten. (Don't forget to wash your hands before eating.)
    • Ik moet de auto even wassen voordat we op reis gaan. (I need to clean the car before we go on a trip.)

    Etymology

    From Middle Dutch wasschen, from Old Dutch wascan, from Proto-West Germanic *waskan, from Proto-Germanic *waskaną, ultimately from Proto-Indo-European *wed- (“water, wet”). See: Proto-Germanic '*waskaną'.

    Verbs referencing "wassen"

    English wash, German, old spelling waschen, German, old spelling wachsen, Danish vokse, Cimbrian baksan, Luxembourgish wäschen, Luxembourgish wuessen, German, Pennsylvania wesche.

    Additional Information

    Wassen (='met was bemerken') is regelmatig.