voorgeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorgeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorgeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorgevend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgeven

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeef voor
jijgeeft voor
hijgeeft voor
wijgeven voor
julliegeven voor
zijgeven voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgeven
jijhebt voorgeven
hijheeft voorgeven
wijhebben voorgeven
julliehebben voorgeven
zijhebben voorgeven

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaf voor
jijgaf voor
hijgaf voor
wijgaven voor
julliegaven voor
zijgaven voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgeven
jijhad voorgeven
hijhad voorgeven
wijhadden voorgeven
julliehadden voorgeven
zijhadden voorgeven

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorgeven
jijzult voorgeven
hijzal voorgeven
wijzullen voorgeven
julliezullen voorgeven
zijzullen voorgeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgeven hebben
jijzult voorgeven hebben
hijzal voorgeven hebben
wijzullen voorgeven hebben
julliezullen voorgeven hebben
zijzullen voorgeven hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorgeven
jijzou voorgeven
hijzou voorgeven
wijzouden voorgeven
julliezouden voorgeven
zijzouden voorgeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgeven hebben
jijzou voorgeven hebben
hijzou voorgeven hebben
wijzouden voorgeven hebben
julliezouden voorgeven hebben
zijzouden voorgeven hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeef voor

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

pretenderen
beweren
simuleren
spelen, veinzen, voorwenden
voorwenden
fingeren, pretenderen, veinzen

Sample Sentences

  • Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij daar [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From voor (“before, in front”) + geven (“to give”).

Additional Information