viseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of viseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: viseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: viserend
Past participle - Verleden deelwoord: geviseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikviseer
jijviseert
hijviseert
wijviseren
jullieviseren
zijviseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geviseerd
jijhebt geviseerd
hijheeft geviseerd
wijhebben geviseerd
julliehebben geviseerd
zijhebben geviseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikviseerde
jijviseerde
hijviseerde
wijviseerden
jullieviseerden
zijviseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geviseerd
jijhad geviseerd
hijhad geviseerd
wijhadden geviseerd
julliehadden geviseerd
zijhadden geviseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal viseren
jijzult viseren
hijzal viseren
wijzullen viseren
julliezullen viseren
zijzullen viseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geviseerd hebben
jijzult geviseerd hebben
hijzal geviseerd hebben
wijzullen geviseerd hebben
julliezullen geviseerd hebben
zijzullen geviseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou viseren
jijzou viseren
hijzou viseren
wijzouden viseren
julliezouden viseren
zijzouden viseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geviseerd hebben
jijzou geviseerd hebben
hijzou geviseerd hebben
wijzouden geviseerd hebben
julliezouden geviseerd hebben
zijzouden geviseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijviseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French viser. See: French 'viser'.

Additional Information