vigeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vigeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vigeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vigerend
Past participle - Verleden deelwoord: gevigeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvigeer
jijvigeert
hijvigeert
wijvigeren
jullievigeren
zijvigeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevigeerd
jijhebt gevigeerd
hijheeft gevigeerd
wijhebben gevigeerd
julliehebben gevigeerd
zijhebben gevigeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvigeerde
jijvigeerde
hijvigeerde
wijvigeerden
jullievigeerden
zijvigeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevigeerd
jijhad gevigeerd
hijhad gevigeerd
wijhadden gevigeerd
julliehadden gevigeerd
zijhadden gevigeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vigeren
jijzult vigeren
hijzal vigeren
wijzullen vigeren
julliezullen vigeren
zijzullen vigeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevigeerd hebben
jijzult gevigeerd hebben
hijzal gevigeerd hebben
wijzullen gevigeerd hebben
julliezullen gevigeerd hebben
zijzullen gevigeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vigeren
jijzou vigeren
hijzou vigeren
wijzouden vigeren
julliezouden vigeren
zijzouden vigeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevigeerd hebben
jijzou gevigeerd hebben
hijzou gevigeerd hebben
wijzouden gevigeerd hebben
julliezouden gevigeerd hebben
zijzouden gevigeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvigeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin vigeō. See: Latin 'vigeō'.

Additional Information