Infinitive - Onbepaalde wijs: verstuiken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verstuikend
Past participle - Verleden deelwoord: verstuikt
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verstuik |
| jij | verstuikt |
| hij | verstuikt |
| wij | verstuiken |
| jullie | verstuiken |
| zij | verstuiken |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verstuikt |
| jij | hebt verstuikt |
| hij | heeft verstuikt |
| wij | hebben verstuikt |
| jullie | hebben verstuikt |
| zij | hebben verstuikt |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verstuikte |
| jij | verstuikte |
| hij | verstuikte |
| wij | verstuikten |
| jullie | verstuikten |
| zij | verstuikten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verstuikt |
| jij | had verstuikt |
| hij | had verstuikt |
| wij | hadden verstuikt |
| jullie | hadden verstuikt |
| zij | hadden verstuikt |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verstuiken |
| jij | zult verstuiken |
| hij | zal verstuiken |
| wij | zullen verstuiken |
| jullie | zullen verstuiken |
| zij | zullen verstuiken |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verstuikt hebben |
| jij | zult verstuikt hebben |
| hij | zal verstuikt hebben |
| wij | zullen verstuikt hebben |
| jullie | zullen verstuikt hebben |
| zij | zullen verstuikt hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verstuiken |
| jij | zou verstuiken |
| hij | zou verstuiken |
| wij | zouden verstuiken |
| jullie | zouden verstuiken |
| zij | zouden verstuiken |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verstuikt hebben |
| jij | zou verstuikt hebben |
| hij | zou verstuikt hebben |
| wij | zouden verstuikt hebben |
| jullie | zouden verstuikt hebben |
| zij | zouden verstuikt hebben |
| jij | verstuik |