verhelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verhelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verhelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verhelend
Past participle - Verleden deelwoord: verheeld

Cognates

See the 2 cognates of verhelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverheel
jijverheelt
hijverheelt
wijverhelen
jullieverhelen
zijverhelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verheeld
jijhebt verheeld
hijheeft verheeld
wijhebben verheeld
julliehebben verheeld
zijhebben verheeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverheelde
jijverheelde
hijverheelde
wijverheelden
jullieverheelden
zijverheelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verheeld
jijhad verheeld
hijhad verheeld
wijhadden verheeld
julliehadden verheeld
zijhadden verheeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verhelen
jijzult verhelen
hijzal verhelen
wijzullen verhelen
julliezullen verhelen
zijzullen verhelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verheeld hebben
jijzult verheeld hebben
hijzal verheeld hebben
wijzullen verheeld hebben
julliezullen verheeld hebben
zijzullen verheeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verhelen
jijzou verhelen
hijzou verhelen
wijzouden verhelen
julliezouden verhelen
zijzouden verhelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verheeld hebben
jijzou verheeld hebben
hijzou verheeld hebben
wijzouden verheeld hebben
julliezouden verheeld hebben
zijzouden verheeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverheel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

verbloemen
maskeren, verdoezelen

Sample Sentences

Etymology

From Proto-Germanic *frahelaną, equivalent to ver- + helen.

Verbs referencing "verhelen"

English forhele.

Additional Information