vaporiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vaporiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vaporiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vaporiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gevaporiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaporiseer
jijvaporiseert
hijvaporiseert
wijvaporiseren
jullievaporiseren
zijvaporiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevaporiseerd
jijhebt gevaporiseerd
hijheeft gevaporiseerd
wijhebben gevaporiseerd
julliehebben gevaporiseerd
zijhebben gevaporiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaporiseerde
jijvaporiseerde
hijvaporiseerde
wijvaporiseerden
jullievaporiseerden
zijvaporiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevaporiseerd
jijhad gevaporiseerd
hijhad gevaporiseerd
wijhadden gevaporiseerd
julliehadden gevaporiseerd
zijhadden gevaporiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vaporiseren
jijzult vaporiseren
hijzal vaporiseren
wijzullen vaporiseren
julliezullen vaporiseren
zijzullen vaporiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevaporiseerd hebben
jijzult gevaporiseerd hebben
hijzal gevaporiseerd hebben
wijzullen gevaporiseerd hebben
julliezullen gevaporiseerd hebben
zijzullen gevaporiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vaporiseren
jijzou vaporiseren
hijzou vaporiseren
wijzouden vaporiseren
julliezouden vaporiseren
zijzouden vaporiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevaporiseerd hebben
jijzou gevaporiseerd hebben
hijzou gevaporiseerd hebben
wijzouden gevaporiseerd hebben
julliezouden gevaporiseerd hebben
zijzouden gevaporiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaporiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information