usurperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of usurperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: usurperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: usurperend
Past participle - Verleden deelwoord: geüsurpeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikusurpeer
jijusurpeert
hijusurpeert
wijusurperen
jullieusurperen
zijusurperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geüsurpeerd
jijhebt geüsurpeerd
hijheeft geüsurpeerd
wijhebben geüsurpeerd
julliehebben geüsurpeerd
zijhebben geüsurpeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikusurpeerde
jijusurpeerde
hijusurpeerde
wijusurpeerden
jullieusurpeerden
zijusurpeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geüsurpeerd
jijhad geüsurpeerd
hijhad geüsurpeerd
wijhadden geüsurpeerd
julliehadden geüsurpeerd
zijhadden geüsurpeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal usurperen
jijzult usurperen
hijzal usurperen
wijzullen usurperen
julliezullen usurperen
zijzullen usurperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geüsurpeerd hebben
jijzult geüsurpeerd hebben
hijzal geüsurpeerd hebben
wijzullen geüsurpeerd hebben
julliezullen geüsurpeerd hebben
zijzullen geüsurpeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou usurperen
jijzou usurperen
hijzou usurperen
wijzouden usurperen
julliezouden usurperen
zijzouden usurperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geüsurpeerd hebben
jijzou geüsurpeerd hebben
hijzou geüsurpeerd hebben
wijzouden geüsurpeerd hebben
julliezouden geüsurpeerd hebben
zijzouden geüsurpeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijusurpeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information