tutoyeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tutoyeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tutoyeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tutoyerend
Past participle - Verleden deelwoord: getutoyeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktutoyeer
jijtutoyeert
hijtutoyeert
wijtutoyeren
jullietutoyeren
zijtutoyeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getutoyeerd
jijhebt getutoyeerd
hijheeft getutoyeerd
wijhebben getutoyeerd
julliehebben getutoyeerd
zijhebben getutoyeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktutoyeerde
jijtutoyeerde
hijtutoyeerde
wijtutoyeerden
jullietutoyeerden
zijtutoyeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getutoyeerd
jijhad getutoyeerd
hijhad getutoyeerd
wijhadden getutoyeerd
julliehadden getutoyeerd
zijhadden getutoyeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tutoyeren
jijzult tutoyeren
hijzal tutoyeren
wijzullen tutoyeren
julliezullen tutoyeren
zijzullen tutoyeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getutoyeerd hebben
jijzult getutoyeerd hebben
hijzal getutoyeerd hebben
wijzullen getutoyeerd hebben
julliezullen getutoyeerd hebben
zijzullen getutoyeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tutoyeren
jijzou tutoyeren
hijzou tutoyeren
wijzouden tutoyeren
julliezouden tutoyeren
zijzouden tutoyeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getutoyeerd hebben
jijzou getutoyeerd hebben
hijzou getutoyeerd hebben
wijzouden getutoyeerd hebben
julliezouden getutoyeerd hebben
zijzouden getutoyeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtutoyeer

Translations

  • thou, to address (a person) using the familiar second-person pronoun
  • thou, to use the word ''thou''
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French tutoyer. See: French 'tutoyer'.

    Additional Information