mutileren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of mutileren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: mutileren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: mutilerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemutileerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmutileer
jijmutileert
hijmutileert
wijmutileren
julliemutileren
zijmutileren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemutileerd
jijhebt gemutileerd
hijheeft gemutileerd
wijhebben gemutileerd
julliehebben gemutileerd
zijhebben gemutileerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmutileerde
jijmutileerde
hijmutileerde
wijmutileerden
julliemutileerden
zijmutileerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemutileerd
jijhad gemutileerd
hijhad gemutileerd
wijhadden gemutileerd
julliehadden gemutileerd
zijhadden gemutileerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal mutileren
jijzult mutileren
hijzal mutileren
wijzullen mutileren
julliezullen mutileren
zijzullen mutileren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemutileerd hebben
jijzult gemutileerd hebben
hijzal gemutileerd hebben
wijzullen gemutileerd hebben
julliezullen gemutileerd hebben
zijzullen gemutileerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou mutileren
jijzou mutileren
hijzou mutileren
wijzouden mutileren
julliezouden mutileren
zijzouden mutileren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemutileerd hebben
jijzou gemutileerd hebben
hijzou gemutileerd hebben
wijzouden gemutileerd hebben
julliezouden gemutileerd hebben
zijzouden gemutileerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmutileer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French mutiler, from Latin mutilāre. See: French 'mutiler', Latin 'mutilo'.

Additional Information