transponeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of transponeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: transponeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: transponerend
Past participle - Verleden deelwoord: getransponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktransponeer
jijtransponeert
hijtransponeert
wijtransponeren
jullietransponeren
zijtransponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getransponeerd
jijhebt getransponeerd
hijheeft getransponeerd
wijhebben getransponeerd
julliehebben getransponeerd
zijhebben getransponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktransponeerde
jijtransponeerde
hijtransponeerde
wijtransponeerden
jullietransponeerden
zijtransponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getransponeerd
jijhad getransponeerd
hijhad getransponeerd
wijhadden getransponeerd
julliehadden getransponeerd
zijhadden getransponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal transponeren
jijzult transponeren
hijzal transponeren
wijzullen transponeren
julliezullen transponeren
zijzullen transponeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getransponeerd hebben
jijzult getransponeerd hebben
hijzal getransponeerd hebben
wijzullen getransponeerd hebben
julliezullen getransponeerd hebben
zijzullen getransponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou transponeren
jijzou transponeren
hijzou transponeren
wijzouden transponeren
julliezouden transponeren
zijzouden transponeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getransponeerd hebben
jijzou getransponeerd hebben
hijzou getransponeerd hebben
wijzouden getransponeerd hebben
julliezouden getransponeerd hebben
zijzouden getransponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtransponeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

omzetten
overbrengen, overzetten

Sample Sentences

Etymology

Additional Information