tikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tikkend
Past participle - Verleden deelwoord: getikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktik
jijtikt
hijtikt
wijtikken
jullietikken
zijtikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getikt
jijhebt getikt
hijheeft getikt
wijhebben getikt
julliehebben getikt
zijhebben getikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktikte
jijtikte
hijtikte
wijtikten
jullietikten
zijtikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getikt
jijhad getikt
hijhad getikt
wijhadden getikt
julliehadden getikt
zijhadden getikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tikken
jijzult tikken
hijzal tikken
wijzullen tikken
julliezullen tikken
zijzullen tikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getikt hebben
jijzult getikt hebben
hijzal getikt hebben
wijzullen getikt hebben
julliezullen getikt hebben
zijzullen getikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tikken
jijzou tikken
hijzou tikken
wijzouden tikken
julliezouden tikken
zijzouden tikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getikt hebben
jijzou getikt hebben
hijzou getikt hebben
wijzouden getikt hebben
julliezouden getikt hebben
zijzouden getikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtik

Translations

  • tap, to touch something, often repeatedly
  • tick, make a clicking noise
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kloppen
    bonzen
    slaan
    bonken, bonzen, kloppen
    trommelen
    rammelen, roffelen

    Sample Sentences

    Etymology

    Onomatopoeic.

    Additional Information